Spelling op Oostendse Verhalen


Het is definitief beslist, binnenkort wordt het Oostends Woordenboek van Roland Desnerck On-Line raadpleegbaar via "Oostendse Verhalen". Daarom probeer ook ik over te stappen op de officiële Oostendse spelling zoals gebruikt in het woordenboek. Hieronder volgen de regels.


De klinkers:
De medeklinkers:
De tweeklanken:
Opmerkingen:


 

SPELLINGREGELS VAN HET Oostends Woordenboek van Roland Desnerck
 
 
Het Oostends is een Nederlands dialekt. Er werd dan ook uitgegaan van de regels van de spelling van de Nederlandse taal volgens de wet van 14 februari 1947. Dit wil zeggen dat de spelling ten dele fonetisch en voor een deel historisch is. Fonetisch om de uitspraak te vergemakkelijken, historisch waar dit de uitspraak niet bemoeilijkt en de lezing verstaanbaar maakt. De in het woordenboek gebruikte spelling wijkt slechts af waar er andere fonemen zijn. Twee uitzonderingen

nochtans: de ou-klank wordt steeds "ow" geschreven (blow, row), en de "uu" wordt ook zo in een open lettergreep geschreven (sluuze, buuze); uitzondering: nu.


terug


De klinkers:
  • "ai" (zoals in het Frans: maître, pair, père): ain, twai, stain;
  • "é" (zoals in het Nederlands: net, pet, gek): én, zét, bédde, trék;
  • "ê" (als een lange "è"): pêrd, stêrt, êrde, grêtn;
  • "oa" (als een lange "o" van grot, tot): loate, noad, road;
  • "ue" (als een lange "u" van hut, put): kuek, puet, sluese.



De medeklinkers:
  • "ch" (als in: lachen, loochenen): chi, choa, roche;
  • "sj" (als in: sjerp, sjees): sjaansje, sjafringsje, sjikkel;
  • "zj" (als in: gelatine, gelei): zjante, zjuudwéster, zjwiep;
"tsj" (als in Engels: chin, church): tsjakkern, tsjultn, tsjutter.

terug



De tweeklanken:
Er is maar een tweeklank die van een z.g. beschaafde taal afwijkt: de "éj". Die wordt uitgesproken als "é" + "j". Die tweeklank is nu enkel nog bij enkele ouderen uit de visserij te horen: éj, bréjn, méjsn, ruggegléj.

terug


Opmerkingen:

De klank "g" bestaat niet in het Oostends; die wordt als "h" uitgesproken, maar blijft toch als "g" geschreven: geen (= geven; klinkt als "heen"), gin (= geen; klinkt als "hin"), gegrocht (= geraakt; klinkt als "hehrocht").

De "h" is geen foneem, maar wordt toch geschreven om het schriftbeeld duidelijker te maken; hén, hoane, haksje klinken als: én, oane, aksje.
Voltooide deelwoorden van werkwoorden die beginnen met een "h" worden enkel met de "h" geschreven: 'k hén 't hoedn, 'k hén 't héd, 'k hén 't hoord. Sommige Oostendenaars laten voor o, os(als) een "h" horen: ho, hos.
De algemeen Nederlandse "sch" klinkt te Oostende als "sj" + "ch" en wordt daarom "sjh" geschreven: sjhip, sjhone, sjhuttel, visjhn.

De glotisslag wordt duidelijk gemaakt door de infinitiefs- of meervouds-en te vervangen door "-n" achter een medeklinker: trékn, wérkn, zétn"; achter een "p" wordt dit een "-m": loopm, wupm.
In andere woorden verdwijnt de glotisslag meer en meer, vandaar dat die in makker, beke niet aangeduid is. Ik heb even gedacht aan: ma.er, be.e, .nop, .naagn.; maar deze beelden zouden stellig onbegrijpelijk geweest zijn !

De eindnasalen "n", "m" en "ng" hebben in het Oostends geen infinitiefs- of meervouds-en, maar klinken lang: kénn, zunn, blomm, zwémm... We horen dus niet hetzelfde in kom en komm ! Het meervoud van hoarienk, keunienk, twailienk is: hoarieng, keunieng, twailieng.

Sommigen, inzonderheid vrouwen, spreken wel eens met een geaspireerde "t" : thonne, thoe; nochtans is de spelling steeds: tonne, toe.